What is the instrument approach of a plane
Wanneer een vliegtuig zijn bestemming nadert en onder de wolken duikt, is de cockpit vaak omgeven door grijs. De grond is onzichtbaar. In deze kritieke fase van de vlucht kan de piloot niet vertrouwen op wat hij buiten ziet; hij moet zijn toevlucht nemen tot de instrumenten. Een instrumentbenadering is een gestandaardiseerde, vooraf gedefinieerde procedure die de bemanning veilig van het eindpunt van de luchtroute naar een positie brengt van waaraf een landing kan worden uitgevoerd, uitsluitend door te navigeren op basis van boordinstrumenten en grondnavigatiehulpmiddelen. Het hart van elke instrumentbenadering is een nauwkeurig spoor door de lucht, een onzichtbare weg die bestaat uit horizontale en verticale richtlijnen. Deze worden bepaald door signalen van grondstations, zoals een VOR, NDB of, voor de meest precieze benaderingen, het Instrument Landing System (ILS). Het ILS projecteert radiobundels die de exacte middenlijn van de landingsbaan en de ideale glijpadhoek van drie graden weergeven. De cockpitinstrumenten tonen deze informatie, zodat de piloot correcties kan uitvoeren om het vliegtuig perfect in het midden te houden. Elke procedure kent strikte minimale hoogtes, de beslissingshoogte of minimale daalhoogte. Op dit kritieke punt moet de piloot een cruciale beslissing nemen. Als hij bij het bereiken van deze hoogte de vereiste visuele referenties van de landingsbaan (zoals de approach lights of de baan zelf) ziet, mag hij de landing voortzetten. Ziet hij niets, dan moet hij onmiddellijk de uitvoering starten en klimmen naar een veilige hoogte. Deze regel is absoluut en vormt de hoeksteen van de veiligheid bij instrumentvliegen. Instrumentbenaderingen variëren in precisie en complexiteit. Naast het zeer nauwkeurige ILS bestaan er non-precision approaches, zoals een VOR- of NDB-benadering, die alleen horizontale geleiding bieden. Moderne vliegtuigen gebruiken steeds vaker Performance Based Navigation (PBN), waarbij satellietnavigatie (GNSS) wordt gebruikt om virtuele benaderingen te vliegen naar vrijwel elke baan, wat een revolutie teweegbrengt in de toegankelijkheid van luchthavens met moeilijk terrein of beperkte grondinfrastructuur. Een instrumentbenadering (Instrument Approach Procedure, IAP) is een gestandaardiseerde procedure waarmee een vliegtuig veilig kan dalen en landen onder gebruikmaking van zijn boordinstrumenten, vooral wanneer de piloot door weersomstandigheden het vliegveld of de landingsbaan niet visueel kan waarnemen. Het is een kritisch onderdeel van het vliegen volgens instrumentregels (IFR). De procedure begint typisch bij een startpunt, het Initial Approach Fix (IAF), en leidt het vliegtuig via vooraf bepaalde routes en hoogtes naar een beslissingspunt. Het primaire doel is het vliegtuig in een positie te brengen van waaruit een veilige landing kan worden uitgevoerd, of een gemiste nadering kan worden ingezet als de landingscriteria niet worden gehaald. Er bestaan verschillende types instrumentbenaderingen, gedefinieerd door de navigatiehulpmiddelen die ze gebruiken. Enkele belangrijke zijn de ILS (Instrument Landing System), de meest precieze, die zowel horizontale als verticale geleiding biedt naar de baan. Voor minder uitgeruste vliegvelden zijn er non-precision approaches zoals de VOR- of NDB-benadering, die alleen horizontale geleiding geven. Moderne GNSS (Global Navigation Satellite System) benaderingen, zoals een RNAV- of RNP-benadering, bieden steeds vaker zeer precieze geleiding. Het meest cruciale moment is de Decision Altitude/Height (DA/DH) of Minimum Descent Altitude/Height (MDA/MDH). Bij een precisiebenadering zoals de ILS moet de piloot op de DA/DH beslissen: zie hij de vereiste visuele referenties van de landingsbaan, dan mag hij de landing voortzetten. Ziet hij ze niet, dan moet hij onmiddellijk de gemiste nadering uitvoeren, een vooraf gedefinieerd manoeuvre om veilig te klimmen en opnieuw te proberen of uit te wijken. De instrumentbenadering vereist strikte naleving van gepubliceerde procedures, grondige voorbereiding en constante kruiscontrole van instrumenten door de bemanning. Het vormt de technologische en procedurele ruggengraat die een betrouwbare en regelmatige luchtvaart mogelijk maakt, ongeacht het zicht. De elektronische baan, formeel een instrumentbenadering genoemd, wordt gevolgd door een combinatie van nauwkeurige navigatieapparatuur in het vliegtuig en grondstations. De piloot volgt een gepredetermineerd, virtueel pad in de lucht dat naar de landingsbaan leidt. Het proces begint lang voor de daadwerkelijke nadering. De piloot: Tijdens de nadering zelf vertrouwt de piloot op verschillende instrumenten: De piloot volgt actief deze aanwijzingen door: De cruciale fase is de overgang naar visuele referenties. Bij de "Decision Altitude/Height" (DA/DH) moet de piloot voldoende zicht hebben op de landingsbaan of de baanlichten. Indien niet, moet een doorstart worden uitgevoerd. Vanaf dit punt combineert de piloot de instrumentinformatie met het zicht buiten om een veilige landing uit te voeren. Moderne RNAV/GNSS (GPS)-benaderingen gebruiken satellietnavigatie om een virtueel glijpad te creëren naar elke baan, zonder grondzenders. Het FMS volgt dit precieze 3D-pad, wat wordt weergegeven op de navigatiedisplays en de piloot volgt het op identieke wijze. De laatste fase, vaak de 'final approach' genoemd, is een periode van intense concentratie en gecoördineerde actie. De piloten schakelen over van een procedurele naar een zeer visuele en handmatige controlemodus, waarbij alle systemen worden voorbereid op een mogelijke missed approach. De Pilot Flying focust volledig op het besturen van het vliegtuig. Hij of zij volgt nauwgezet de glideslope en localizer van het ILS, of handhaaft de gepubliceerde daalhoek visueel. Controle over snelheid, daalsnelheid en uitlijning met de landingsbaan is constant. Minieme correcties aan de stuurkolom en motorkracht zijn essentieel. De Pilot Monitoring beheert de communicatie en voert cruciale checklists uit. Hij of zij meldt gecontroleerde hoogten ("500 feet", "100 feet") en elke afwijking van de ideale nadering. De "landing checklist" wordt afgerond: landingslichten aan, spoilers gewapend, brandstofpompen gecontroleerd. Alle systemen worden gecontroleerd op gereedheid voor de landing. Rond een hoogte van 1000 voet wordt de cockpit stil voor de "Steriele Cockpit"-regel. Alle niet-essentiële gesprekken stoppen. Bij ongeveer 500 voet moet de nadering volledig gestabiliseerd zijn. Is dit niet het geval, dan initiëren de piloten onmiddellijk een doorstart. De autopilot wordt meestal rond 1000 tot 500 voet uitgeschakeld, waarna de Pilot Flying handmatig landt. De Pilot Monitoring blijft de instrumenten scannen en staat klaar om snelheid of hoogte te melden. Tegelijkertijd bereiden beide piloten zich mentaal voor op de flare, de laatste zachte opwaartse beweging vlak voor de landing, en de daaropvolgende omgekeerde stuwkracht en remprocedure.What is the instrument approach of a plane?
Wat is de instrumentbenadering van een vliegtuig?
Hoe volgt de piloot een elektronische baan naar de landingsbaan?
Wat gebeurt er in de cockpit tijdens de laatste fase voor de landing?
Related Articles
Latest Articles
Alexander Schleicher SERVICES
Since 2011, Alexander Schleicher has been represented by Glider Pilot Shop in Belgium, the Netherlands and Luxembourg. With the start of 2019 the region expanded with the addition of France.
Alexander Schleicher Services is a Glider Pilot Shop company